Zaterdagavond en zondagmorgen.

Van een Amerikaanse evangelist, eind 19e eeuw, D.L. Moody, las ik de woorden: ‘Je mag zo hard ‘Halleluja’ roepen als je wilt en zo hoog springen in de lucht voor de Heer, als je wilt. Maar waar ik met name in ben geïnteresseerd, is hoe jij je gedraagt als je weer met beide benen op de grond staat.’

Ik moest daar aan denken toen ik pas een kerkdienst meemaakte waarin we vrijwel alleen liederen zongen die gebaseerd zijn op liederen in het Bijbelboek Openbaring. Liederen als: ‘De Heer regeert. Dat de aarde juicht. Dat het volk zich verheugt. Want Hij regeert. De hemel toont zijn heerlijkheid. De volken zien zijn grootheid. Want U, o Heer, bent verheven boven al wat leeft.’ (Opwekking 375).

De avond daarvoor had ik naar het journaal gekeken en iets in mij vertelde die zondag dat ik een verbinding miste. Want wat we in de kerkdienst zonder nadere aanduiding zongen over een juichende aarde met een zich verheugend volk was beslist niet het beeld dat ik die zaterdagavond had gekregen van rokende puinhopen op die aarde met uitgemergelde gezichten die op schreeuwen stonden. Díé aarde was niet aanwezig in de (te?) hoog ingezette liederen in de kerkdienst.

Ik zette eerst nog een vraagteken achter het woordje ‘te’. Daar wilde ik over nadenken. Want het waren toch allemaal teksten uit de Bijbel die gezongen werden. En daar is toch niks mis mee? Dat klopt. En toch, wanneer die liederen zonder nadere aankondiging worden opgegeven en er geen interpretatiekader wordt meegegeven, zing je de werkelijkheid zomaar voorbij. Die liederen over overwinning en Gods onmetelijke kracht en een aarde die juicht voor God, worden in het boek Openbaring vermeld als liederen die in de hemel gezongen worden door wezens en oudsten en engelen die voor Gods troon staan. Op aarde wordt ook wel gezongen. Maar dan gaat het over de dood van Gods profeten (11:10). Of het is een treurlied over de val van Babylon, de anti-stad van God. En áls gelovigen al zingen op aarde is het klagend en vragend om Gods ingrijpen dat zo lang op zich laat wachten. In Openbaring 14 : 3 gaat het over een nieuw lied, zo’n hemels lied. “En niemand kon het lied begrijpen, behalve de 144.000 mensen die van de aarde zijn  vrijgekocht”. Mensen dus die de aarde voorbij zijn. Steeds is dat de constatering: “Juich, hemel, en jullie die daar wonen! Maar wee de aarde en de zee: de duivel is naar jullie afgedaald!” Dat van die duivel, zag ik die zaterdagavond op het journaal wel, maar in de kerk was dat afwezig!

Als we in de kerk juich- en jubelliederen willen zingen over Gods grootheid en een bevrijde schepping, is dat prima, maar geef als voorganger wel een interpretatiekader mee, waardoor je de zaterdagse journaal-kijker niet het gevoel geeft dat ‘ie op zondag opeens in een heel andere werkelijkheid terecht is gekomen. Een soort van hemelse werkelijkheid waarin de aardse werkelijkheid wordt genegeerd. Op deze aarde is voorlopig nog alle reden om ook te klagen en te schreeuwen en te huilen en boos te zijn en …

Een zaterdag later was ik bij een orgelconcert. Daar werd een sonate van Telemann gespeeld. Van Grave ging het via Alla Breve en Adagio naar Vivace. Een begin in de diepe, ernstige, bedrukte (=Grave) werkelijkheid waarin we met beide benen op de grond staan. Maar de tempowisselingen van Alla Breve en Adagio namen ons mee naar het levendige en energieke Vivace. Die beweging zou ik vaker willen zien in onze kerkdiensten. Niet plompverloren beginnen in een ideale werkelijkheid die alleen nog maar werkelijkheid is in de hemel. Maar beginnen waar de kerkganger zit als hij klagend, twijfelend, (van binnen) huilend, boos, bezorgd, niet-wetend, bang de kerk binnenkomt, om hem vanuit die diepte mee te nemen omhoog.

Dan kun je misschien iets van de hemelse werkelijkheid alvast een beetje naar de aarde halen.

Reacties

Plaats een reactie