
Leeglopende kerken. Overvolle andere kerken. Kerkenraden worstelen er maar mee.
Tenminste, dat zou je verwachten. In korte tijd kreeg ik van 3 kanten een signaal dat het met dat geworstel nog wel een beetje meevalt. Of tegenvalt als je het anders bekijkt.
Nr. 1 was een jonge ouderling die met een mooi ideaalbeeld aan zijn ambtswerk was begonnen, maar al op de eerste kerkenraadsvergadering gedesillusioneerd was thuis gekomen. “Ze zijn alleen maar dingen aan het regelen en als het over onttrekkingen gaat, zijn ze alleen maar boos of verdrietig. Ik zou zo graag eens een gesprek willen hebben over de geestelijke toestand van onze gemeente. Over waar we staan in het spirituele krachtenveld van deze tijd. Maar de Bijbel gaat alleen maar even open aan het begin van de vergadering en verder blijft hij de hele avond dicht.”
Nr. 2 was iemand uit een kleine plattelandsgemeente, waar hoegenaamd geen kinderen en jongeren meer in de kerk komen, maar waar dat nooit echt onderwerp van gesprek is. “Men klaagt wel over de aantrekkingskracht van grote kerken als Mozaïek enzo, maar stelt zichzelf nooit de vraag hoe het komt dat zulke kerken zoveel aantrekkelijker zijn dan zijzelf. Ik zou zo graag eens een avond rustig met elkaar willen praten en samen in de spiegel kijken naar hoe wij kerk waren en zijn en willen zijn. En dan vooral samen bidden en bespreken wat we van God verwachten.” Dus ook de vraag naar de geestelijke stand van de gemeente.
En dan nr. 3. Dat kwam zo’n beetje op hetzelfde neer. Een groepssamenkomst binnen een miniwijk. 2 jonge mannen die eerlijk aangaven dat ze niet zo gemotiveerd waren om elke zondag trouw naar de kerk te komen. Maar die zich wel degelijk verbonden voelen met de gemeente. Daarom die avond ook aanwezig waren. Maar of ze uiteindelijk zouden blijven in deze gemeente, was maar zeer de vraag. De meeste leeftijdsgenoten hadden immers al gekozen voor een andere kerk met een meer zichtbaar levend geloof en meer eigentijdse (goede!) muzikale vormen. Je proefde de verlegenheid bij de andere, oudere aanwezigen: “Tsja, we begrijpen het wel. Maar we vinden het niet leuk. We willen graag het tij keren in onze leger wordende kerk. Maar wat kunnen wij meer dan afwachten tot de laatste het licht uit doet?”
Noem het fatalisme, berusting, geestelijke armoede, dood in de pot, overgave of verlegenheid. Feit is dat veel kerken hiermee te maken hebben. Is het ook een feit dat veel kerken weglopen voor de ultieme vraag naar het geestelijk gehalte van het geloofsleven in de gemeente? Durven kerken en kerkleden samen in de spiegel te kijken die een kerkverlater hen voor houdt? Of zijn ze bang voor wat ze dan zien? Voor misschien een spirituele leegte die daar zichtbaar wordt?
Precies 40 jaar geleden schreef Piet van der Ploeg een boekje over zijn onderzoek onder jonge kerkverlaters in de -destijds- gereformeerd (synodale) kerken. Hij gaf het de veelzeggende titel “Het lege testament” mee. Dat was wat zij hadden overgedragen gekregen in de kerk: een huis zonder inhoud. “Niet de secularisatie van buiten af, de verlokkingen van de wereld, maar de secularisatie van binnenuit, het lege geloof, is de oorzaak van de afval”, schreef J.P. de Vries in het Nederlands Dagblad. En in de Friese Kerkbode stond: “Zonder paniekerig te worden, zullen we toch wel dringend nodig onze agendapunten op de kerkenraadsvergaderingen dienen te bestuderen.”
Hoe vol is ons geestelijk testament vandaag?





