Categorie: Uncategorized

  • 40 jaar Piet van der Ploeg, ‘Het lege testament’

    Leeglopende kerken. Overvolle andere kerken. Kerkenraden worstelen er maar mee.

    Tenminste, dat zou je verwachten. In korte tijd kreeg ik van 3 kanten een signaal dat het met dat geworstel nog wel een beetje meevalt. Of tegenvalt als je het anders bekijkt.

    Nr. 1 was een jonge ouderling die met een mooi ideaalbeeld aan zijn ambtswerk was begonnen, maar al op de eerste kerkenraadsvergadering gedesillusioneerd was thuis gekomen. “Ze zijn alleen maar dingen aan het regelen en als het over onttrekkingen gaat, zijn ze alleen maar boos of verdrietig. Ik zou zo graag eens een gesprek willen hebben over de geestelijke toestand van onze gemeente. Over waar we staan in het spirituele krachtenveld van deze tijd. Maar de Bijbel gaat alleen maar even open aan het begin van de vergadering en verder blijft hij de hele avond dicht.”

    Nr. 2 was iemand uit een kleine plattelandsgemeente, waar hoegenaamd geen kinderen en jongeren meer in de kerk komen, maar waar dat nooit echt onderwerp van gesprek is. “Men klaagt wel over de aantrekkingskracht van grote kerken als Mozaïek enzo, maar stelt zichzelf nooit de vraag hoe het komt dat zulke kerken zoveel aantrekkelijker zijn dan zijzelf. Ik zou zo graag eens een avond rustig met elkaar willen praten en samen in de spiegel kijken naar hoe wij kerk waren en zijn en willen zijn. En dan vooral samen bidden en bespreken wat we van God verwachten.” Dus ook de vraag naar de geestelijke stand van de gemeente.

    En dan nr. 3. Dat kwam zo’n beetje op hetzelfde neer. Een groepssamenkomst binnen een miniwijk. 2 jonge mannen die eerlijk aangaven dat ze niet zo gemotiveerd waren om elke zondag trouw naar de kerk te komen. Maar die zich wel degelijk verbonden voelen met de gemeente. Daarom die avond ook aanwezig waren. Maar of ze uiteindelijk zouden blijven in deze gemeente, was maar zeer de vraag. De meeste leeftijdsgenoten hadden immers al gekozen voor een andere kerk met een meer zichtbaar levend geloof en meer eigentijdse (goede!) muzikale vormen. Je proefde de verlegenheid bij de andere, oudere aanwezigen: “Tsja, we begrijpen het wel. Maar we vinden het niet leuk. We willen graag het tij keren in onze leger wordende kerk. Maar wat kunnen wij meer dan afwachten tot de laatste het licht uit doet?”

    Noem het fatalisme, berusting, geestelijke armoede, dood in de pot, overgave of verlegenheid. Feit is dat veel kerken hiermee te maken hebben. Is het ook een feit dat veel kerken weglopen voor de ultieme vraag naar het geestelijk gehalte van het geloofsleven in de gemeente? Durven kerken en kerkleden samen in de spiegel te kijken die een kerkverlater hen voor houdt? Of zijn ze bang voor wat ze dan zien? Voor misschien een spirituele leegte die daar zichtbaar wordt?

    Precies 40 jaar geleden schreef Piet van der Ploeg een boekje over zijn onderzoek onder jonge kerkverlaters in de -destijds- gereformeerd (synodale) kerken. Hij gaf het de veelzeggende titel “Het lege testament” mee. Dat was wat zij hadden overgedragen gekregen in de kerk: een huis zonder inhoud. “Niet de secularisatie van buiten af, de verlokkingen van de wereld, maar de secularisatie van binnenuit, het lege geloof, is de oorzaak van de afval”, schreef J.P. de Vries in het Nederlands Dagblad. En in de Friese Kerkbode stond: “Zonder paniekerig te worden, zullen we toch wel dringend nodig onze agendapunten op de kerkenraadsvergaderingen dienen te bestuderen.”

    Hoe vol is ons geestelijk testament vandaag?

  • Kerkasiel in Kampen

    Zo kan de kerk ook zijn. Of moet ik zeggen: dit is pas kerk-zijn? Okay, de dienst duurt wat lang. Nu al 44 weken 24/7. Maar als je, zoals wij gisteren, daarvan 4 uren mag vullen, die omvlogen , dan heb je het goed gehad.

    We zaten in een kring, met daaromheen soms 5, soms 10, soms 20 belangstellenden. Af en toe liepen er mensen binnen, namen even plaats en gingen weer. Anderen bleven geheel tegen hun bedoeling in de hele dienst uitzitten. Een paar kinderen lagen opzij te kleuren of een boekje te lezen. Er werd gelachen, gebeden, gehuild. Gezongen, geluisterd, gedeeld. We bekeken en bespraken schilderijen. We waren stil.

    Het ging over eenzaamheid en over Jezus die begon met zien. Hij zag de 38 jaar zieke man in Bethesda (Johannes 5). Hij draaide Zich om om de genezen vrouw, die Hem sneaky, vol verwachting had aangeraakt, te zien (Markus 5).

    We deelden met elkaar wat een mens eenzaam kan maken. Wat kan maken dat je niet gezien wordt. Een zonde bijvoorbeeld. Een chronische ziekte. Een angst die je met niemand durft te delen. Armoede. Niet voor vol aangezien worden. We maakten het concreet door iets daarvan op te schrijven. Van de papiertjes maakten we propjes, die  we naar voren gooiden, in de kring. Anoniem, maar kwetsbaar. De een beschreef de pijn dat ze al 20 jaar geen contact meer heeft met haar zoon. De ander benoemde zijn of haar (?) onzekerheid over of hij of zij (?) nu man was of vrouw. Weer een ander schreef over zijn gevoel dat hij niet echt gezien werd om wie hij was. En het riep herkenning op. Emoties stroomden over, tranen vloeiden, be-amende gezichten. Zo ervoeren we wat ons werd voorgehouden: van delen word je rijker! Wij leerden het belang van oordeelloos luisteren naar de ander en naar de ander kijken vanuit je hart. Dat is MENS-zijn.

    Ja, dit is toch wel wat je in de kerk zoekt: openheid, veiligheid, warmte, aandacht, ruimte. Die we ook gunnen aan het gezin waar al die mensen in deze kerkasiel-dienst nu al bijna een jaar omheen staan! In de pauze sprak ik een bezoeker. Hij was met een groepje gemeenteleden uit het westen van het land naar Kampen afgereisd om een mand vol cadeautjes aan te bieden voor iedereen die zich met hart en ziel voor het kerkasiel inzet. En de lijst met vrijwilligers wordt langer en langer. Steeds meer mensen gunnen het zichzelf geraakt te worden door zoveel liefde, zoveel volhouden, zoveel wegcijferen. Zoveel hopen.

    Wat er in Kampen gebeurt bindt over alle grenzen heen mensen samen. Mensen die hun hart laten spreken. Dit gun je ieder die zich zorgen maakt over de toestand in Nederland. In Kampen worden zachte krachten zichtbaar. Het maakt zichtbaar dat er hoop is voor Nederland!

  • ‘Wil je mij bij God brengen?’

    MEDION DIGITAL CAMERA

    ‘Als je er niet over praat, dan is het er ook niet’. Zo had haar omgeving gereageerd nadat ze haar verhaal verteld had. Niet dat de mensen dat zeiden, nee, ze zeiden juist helemaal niets meer. Het werd stil om haar heen. Blijkbaar kon de kerk het niet aan. En de familie ook niet. Dat ze zich een ander voelde dan haar lichaam haar elke dag vertelde. Volgens haar lichaam een man, maar in haar identiteit een vrouw. En sinds ze besloten had zich voortaan als een vrouw te kleden en een transitieproces in te gaan, voelde ze zich bevrijd en tegelijk steeds eenzamer. Want: ‘Als je er niet over praat, dan is het er ook niet’.

    De negatie van haar verhaal betekende voor haar een afwijzing van wie ze was. In die eenzaamheid kwam ze bij me, getipt door een vriendin. Tijdens onze eerste wandeling formuleerde ze haar pastorale vraag: ‘Wil je naar mijn verhaal luisteren en dan met mij naar God toegaan? Want ik houd zo ontzettend veel van God!’ Zo maakten we elke maand een wandeling en vertelde ze wat haar bezig hield. Een eenzame vrouw, een sterke vrouw! Ze deed online een cursus om het zwijgen van wie haar dierbaar zijn te leren vergeven. En samen baden we en dankten we. Soms zonder woorden. Ons bidden was vaak niet meer dan een bewegen, een naar God toe bewegen.

    Nu, jaren later, kwam ik haar weer tegen op internet. Ze heeft haar weg gevonden als kunstenaar. Met haar creaties vult ze de leegte die het zwijgen van anderen achterlaat.

  • Zaterdagavond en zondagmorgen.

    Van een Amerikaanse evangelist, eind 19e eeuw, D.L. Moody, las ik de woorden: ‘Je mag zo hard ‘Halleluja’ roepen als je wilt en zo hoog springen in de lucht voor de Heer, als je wilt. Maar waar ik met name in ben geïnteresseerd, is hoe jij je gedraagt als je weer met beide benen op de grond staat.’

    Ik moest daar aan denken toen ik pas een kerkdienst meemaakte waarin we vrijwel alleen liederen zongen die gebaseerd zijn op liederen in het Bijbelboek Openbaring. Liederen als: ‘De Heer regeert. Dat de aarde juicht. Dat het volk zich verheugt. Want Hij regeert. De hemel toont zijn heerlijkheid. De volken zien zijn grootheid. Want U, o Heer, bent verheven boven al wat leeft.’ (Opwekking 375).

    De avond daarvoor had ik naar het journaal gekeken en iets in mij vertelde die zondag dat ik een verbinding miste. Want wat we in de kerkdienst zonder nadere aanduiding zongen over een juichende aarde met een zich verheugend volk was beslist niet het beeld dat ik die zaterdagavond had gekregen van rokende puinhopen op die aarde met uitgemergelde gezichten die op schreeuwen stonden. Díé aarde was niet aanwezig in de (te?) hoog ingezette liederen in de kerkdienst.

    Ik zette eerst nog een vraagteken achter het woordje ‘te’. Daar wilde ik over nadenken. Want het waren toch allemaal teksten uit de Bijbel die gezongen werden. En daar is toch niks mis mee? Dat klopt. En toch, wanneer die liederen zonder nadere aankondiging worden opgegeven en er geen interpretatiekader wordt meegegeven, zing je de werkelijkheid zomaar voorbij. Die liederen over overwinning en Gods onmetelijke kracht en een aarde die juicht voor God, worden in het boek Openbaring vermeld als liederen die in de hemel gezongen worden door wezens en oudsten en engelen die voor Gods troon staan. Op aarde wordt ook wel gezongen. Maar dan gaat het over de dood van Gods profeten (11:10). Of het is een treurlied over de val van Babylon, de anti-stad van God. En áls gelovigen al zingen op aarde is het klagend en vragend om Gods ingrijpen dat zo lang op zich laat wachten. In Openbaring 14 : 3 gaat het over een nieuw lied, zo’n hemels lied. “En niemand kon het lied begrijpen, behalve de 144.000 mensen die van de aarde zijn  vrijgekocht”. Mensen dus die de aarde voorbij zijn. Steeds is dat de constatering: “Juich, hemel, en jullie die daar wonen! Maar wee de aarde en de zee: de duivel is naar jullie afgedaald!” Dat van die duivel, zag ik die zaterdagavond op het journaal wel, maar in de kerk was dat afwezig!

    Als we in de kerk juich- en jubelliederen willen zingen over Gods grootheid en een bevrijde schepping, is dat prima, maar geef als voorganger wel een interpretatiekader mee, waardoor je de zaterdagse journaal-kijker niet het gevoel geeft dat ‘ie op zondag opeens in een heel andere werkelijkheid terecht is gekomen. Een soort van hemelse werkelijkheid waarin de aardse werkelijkheid wordt genegeerd. Op deze aarde is voorlopig nog alle reden om ook te klagen en te schreeuwen en te huilen en boos te zijn en …

    Een zaterdag later was ik bij een orgelconcert. Daar werd een sonate van Telemann gespeeld. Van Grave ging het via Alla Breve en Adagio naar Vivace. Een begin in de diepe, ernstige, bedrukte (=Grave) werkelijkheid waarin we met beide benen op de grond staan. Maar de tempowisselingen van Alla Breve en Adagio namen ons mee naar het levendige en energieke Vivace. Die beweging zou ik vaker willen zien in onze kerkdiensten. Niet plompverloren beginnen in een ideale werkelijkheid die alleen nog maar werkelijkheid is in de hemel. Maar beginnen waar de kerkganger zit als hij klagend, twijfelend, (van binnen) huilend, boos, bezorgd, niet-wetend, bang de kerk binnenkomt, om hem vanuit die diepte mee te nemen omhoog.

    Dan kun je misschien iets van de hemelse werkelijkheid alvast een beetje naar de aarde halen.

  • KOOPMAN, DOMINEE, KUNSTENAAR.

    In de genen van de kerk zijn de koopman en de dominee wel te vinden. Maar waar is de kunstenaar?

    De koopman en de dominee kennen we. In de ‘Nederlandse ziel’ zijn zij nadrukkelijk aanwezig. De koopman met zijn Hollandse nuchterheid en zakelijkheid. ‘Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’ en ‘Wat koop ik daarvoor’? Direct herkenbaar in ‘De Nederlander’. Net als de dominee die met zijn opgeheven vingertje precies weet hoe het moet.

    Jan Roelofs werkt dit breder uit in zijn boekje: ‘Koopman, Dominee, Kunstenaar’ (Utrecht, 2011). Via een wandeling door de geschiedenis van Nederland beschrijft hij het ontstaan van zoiets als ‘De Nederlandse Ziel’. De koopman staat voor het Ware, de dominee voor het Goede. Maar om samen tot bloei te komen hebben ze het Schone van de kunstenaar nodig. Zonder kunstenaar slaat de koopman door in kil materialisme en egocentrische hebzucht. En de dominee overdrijft in bekrompen fundamentalisme en fanatieke zuiverheid als de kunstenaar hem daar niet voor behoedt.

    Helaas vertrok de kunstenaar naar het warme, vriendelijke Zuiden. Dat was na de bloei van de Gouden Eeuw, toen koopman, dominee en kunstenaar samen optrokken en de vloer legden voor de sterke positie van het huidige Nederland. Hij liet het verstikkende klimaat van de 18e eeuw achter zich. Miezemuizende dominees en patserige kruideniers zorgden voor een sfeer van kleinzieligheid en lafheid. En daar kon de kunstenaar niet tegen! En hij verliet de Lage Landen.

    Pas in de 20e eeuw waagt de kunstenaar het langzaam maar zeker terug te keren. Met zijn aandacht voor gevoel, innerlijk, het individuele, het Schone.

    Volgens Roelofs laten zowel de koopman als de dominee zich van buitenaf aansturen. De een door de materie, de ander door God. Beide dimensies zijn nodig. Maar zonder de kunstenaar die de verbinding met het innerlijk legt komen we om in de ‘oppervlakkigheid van Platland’.

    Ik maakte tijdens het lezen als vanzelf de vergelijking met de kerken in Nederland. Zijn daar de koopman en de dominee ook niet veel dominanter aanwezig dan de kunstenaar? De koopman met zijn nadruk op wat werkt, wat objectief verifieerbaar is, zijn protocollen om de boel beheersbaar te houden. En de dominee met zijn preken en zijn normatieve denken en zijn uitleg van wat God wil. Maar waar is de kunstenaar met zijn ruimte om te experimenteren, zijn out-of-the-box-denken, zijn waarnemen van wat er is en niet zozeer van wat er moet zijn (normatief denken!)?

    Natuurlijk, er wordt gepionierd, er is aandacht voor innerlijk en bewustzijn van eigen kracht. Maar te vaak is dat marge-werk en levert het gedoe op. Het zit niet in de genen van de kerk in Nederland!

    Ik kijk uit naar een vruchtbaar huwelijk tussen koopman, dominee en kunstenaar in de kerk. Met aandacht voor het Ware, het Goede én het Schone!

  • Denkruimte

    Ooit zei een therapeut tegen me: “Wat jij zoekt voor jezelf, dat bied je anderen.” Blijkbaar straalde ik iets uit waarvan ik me niet bewust was dat ik het in me had. Of in ieder geval, ik vond zelf niet wat anderen wel bij mij vonden. En dus moest ik op zoek in mezelf naar wat er wel was, maar voor mij niet goed voelbaar, zichtbaar of op andere manieren waarneembaar.

    Ik heb het hier over ruimte, denkruimte. Ruimte om vrij te denken. Om buiten de lijntjes te kleuren. Om op zoek te gaan naar wat voor moois er buiten de gebaande wegen te vinden is. Ik had dat nooit geleerd of me eigen gemaakt. Maar in mijn pastorale gesprekken nodigde ik anderen wel altijd uit om niet direct genoegen te nemen met de antwoorden die voorhanden waren of de adviezen die -vaak- standaard gegeven werden.

    Nu ik gestopt ben met werken, – in september begint mijn emeritaatsleven -, wil ik graag af en toe wat delen uit mijn ervaringen en opgedane inzichten. Wie weet kan het je helpen om ruimte te vinden voor jezelf.

    Mijn motto is: Denkruimte creëert inspiratie. Ik wil je graag stimuleren tot Creativiteit. Ik zal daarom ook regelmatig een schilderij van mijn hand in mijn blogs plaatsen. Voor creativiteit heb je nodig dat je jezelf Denkruimte gunt. En dat leidt dan tot Inspiratie. Een geïnspireerd leven, dat niet genoegen neemt met wat iedereen vindt of denkt te moeten vinden. Maar dat zelf antwoorden geeft en zelf keuzes durft te maken.

    De afgelopen 41 jaar ben ik dominee geweest. Dat bepaalt natuurlijk mijn denken en mijn basis-uitgangspunten. Maar omdat ik de laatste jaren ook algemeen geestelijk verzorger was in de ouderenzorg heb ik ook leren inzien dat er buiten de mij bekende en vertrouwde gereformeerde paden heel veel waardevols is aan inzichten en levenswijsheden.

    Tijdens mijn afscheid als gemeentepredikant vroeg iemand mij naar de belangrijkste ontwikkeling in mijn carrière. Mijn antwoord: Toen ik begon wilde ik de juiste antwoorden geven op de gestelde vragen. Nu wil ik vooral de juiste vragen stellen bij de gegeven antwoorden.